Het oude kerkje zit afgeladen vol; over enkele ogenblikken begint de kerstnachtdienst. Het koor waar mijn vriendin in meezingt, heeft haar plaats al ingenomen en een van de kinderen steekt de adventskaarsen aan.

Net terwijl de koster de deur wil sluiten, schiet ik naar binnen. ‘Ben ik nog op tijd?’ vraag ik hijgend.

‘Nog net,’ glimlacht de koster. ‘Maar het zal niet meevallen om een plaatsje te vinden. Loop maar even met mij mee, ik zag nog wat ruimte in de bank bij de zijdeur. Daar pas je nog wel tussen.’

Met wat meten, passen en goodwill van mijn bankgenoten, past het inderdaad. Ik zit nog maar nauwelijks of het eerste lied wordt al ingezet. ‘Komt allen tezamen, jubelend van vreugde.’

Nou, jubelen zit er niet zo in. Daar ontbreekt de energie me even voor. Het is dat ik mijn vriendin had beloofd om naar de dienst te komen, anders was ik mooi thuisgebleven. Ik kom toch al nergens aan toe de laatste tijd. Zelfs de boodschappen voor de Kerst zijn vlug-vlug gedaan.

Terwijl het koor drie liederen laat horen, dwalen mijn gedachten af naar een zieke tante waar ik al heel lang naar toe moet, en naar mijn werk dat steeds meer tijd in beslag neemt. Werkweken van tachtig uur zijn geen uitzondering meer. Eigenlijk is het nu voor het eerst sinds tijden dat ik zomaar een kwartiertje zit. Ik kom zowaar een beetje bij.

Na de koorzang volgt een gebed en met moeite open ik na het Amen mijn ogen. De predikant opent zijn Bijbel en leest eeuwenoude woorden voor. En waren herders in diezelfde landstreek…

Vaag krijg ik nog iets mee over een kudde en een engel, maar dan verlies ik de strijd tegen de slaap en doezel ik weg.

Plotseling kiert de zijdeur open en verschijnt er een man in de deur. Toch fijn dat ik niet de allerlaatste was, schiet er door mij heen. De man loopt echter niet verder, maar wenkt mij naar zich toe. Even weet ik niet wat ik ermee moet. De mensen om me heen zitten zo aandachtig te luisteren, dat ze geen aandacht hebben voor de man, bovendien gaat het hem duidelijk om mij. Uiteindelijk sta ik heel stilletjes op en loop naar hem toe.

Hij gaat me voor naar buiten en draait zich dan naar mij om. ‘Ik wil je iets laten zien,’ zegt hij.

In het licht van de lamp boven de deur, valt het me op dat hij wat vreemd is gekleed. Hij heeft wel wat weg van die herder die ik in de zomer op de hei in Epe zag. Blijkbaar ziet hij mijn bevreemde blik. ‘Sorry, ik zal me even voorstellen,’ zegt hij, terwijl hij zijn hand uitsteekt. ‘Ik ben Ruben, een van de herders uit Efratha, net buiten Bethlehem.’

Mijn verwarring wordt alleen maar groter, maar mijn nieuwsgierigheid groeit ook. Is dit onderdeel van een of ander kerstevent? Terwijl ik achter hem aan loop, merk ik tot mijn verbazing dat ik niet langer meer op straat loop, maar in een groot veld in een onbekende omgeving. In de verte brandt een groot vuur. ‘Daar zitten de andere herders,’ licht Ruben toe. ‘We zitten graag bij elkaar, zeker vannacht, want we raken niet uitgepraat over wat we net hebben meegemaakt.’

Onderweg naar het vuur, vertelt hij honderduit. Over het huis van David, waar geen koning meer op de troon zat, over een vreemde keizer, en over het gemis van profeten. Maar ook over een enorm groot licht en een engel, ja, zelfs wel duizenden engelen die een lied zongen. Eer in de hoge aan God, vrede op aarde en in mensen welbehagen. En tot slot over hun tocht naar Bethlehem waar ze volgens de engel een kind zouden vinden. ‘Het klopte allemaal,’ eindigde hij enthousiast. ‘We vonden het kind, gewikkeld in doeken, in een kribbe, en zijn moeder Maria en zijn vader Jozef. In een stal, want er was nergens anders plaats voor hen.’

Ik knik – Rubens verhaal klopt met het verhaal dat ik al kende. ‘Ik vond het altijd zo bot van die inwoners van Bethlehem dat ze een hoogzwangere vrouw aan de deur lieten staan,’ vertrouw ik hem toe. ‘En stel je voor dat ze geweten hadden dat die baby Jezus was, zouden ze vast anders wel anders hebben gereageerd.’

Hij kijkt me bedachtzaam aan.

‘Denk je?’

‘Ja, dat denk ik wel, toch?’ Ineens twijfel ik wat. ‘Nou ja, ik zou in ieder geval plaats voor Jezus hebben gemaakt. En voor zijn ouders natuurlijk.’

 ‘Ja?’

‘Absoluut.’

‘In je huis?’ vraagt hij door.

‘Ja, natuurlijk in mijn huis. Zelfs als ik daar zelf voor naar de schuur zou moeten uitwijken. ’

‘Dus voor Jezus is er altijd plaats in je huis,’ stelt hij.

Ik knik en wordt wat kriegelig. Waar wil hij naar toe?

Even houdt Ruben zijn stap in, kijkt opzij en stelt dan de volgende vraag. ‘Ook in je agenda?’

Er valt een diepe stilte en ik sta stokstijf stil. De bliksem had niet harder kunnen inslaan dan Rubens laatste vraag. Razendsnel buitelen mijn gedachten over elkaar heen en flitsten alle dagen, weken en maanden voorbij waarin ik geen tijd had, nee, geen tijd nam om te bidden of de Bijbel open te slaan.

Beschaamd buig ik mijn hoofd. ‘Nee, niet in mijn agenda.’

Zachtjes legt Ruben zijn hand onder mijn kin en kijkt me ernstig maar vol liefde aan. ‘Ga naar huis,’ zegt hij. ‘Ik wilde je eigenlijk Jezus laten zien, maar daarvoor hoef je niet met mij mee. Dat kan thuis ook. Als je de tijd daarvoor neemt.’

Hij geeft me nog een bemoedigend duwtje in mijn rug en laat me alleen.

Terwijl ik weg loop, hoor ik achter me de herders zingen. Ze hebben de woorden van de engelen op melodie gezet. Ere zij God in de Hoge.

Maar wat vreemd, hoe verder ik bij hen vandaan loop, hoe luider het gezang klinkt. Ineens ben ik terug in de kerk en hoor ik niet de herders zingen, maar het koor. Met een schok besef ik dat ik moet hebben gedroomd. Klaarwakker maar diep in gedachten zit ik de rest van de kerstnachtdienst uit. Eenmaal weer thuis pak ik mijn agenda voor het restje van dit jaar en ook mijn nieuwe, en geef mijn tijd terug aan Hem, Die mij mijn dagen geeft.


© Marianne Grandia

NB: Dit verhaal is eerder gepubliceerd op www.puurvandaag.nl.