Tandartsbezoek

Dinsdagmorgen, tien uur.
Met lood in mijn schoenen stap ik bij de tandarts de wachtkamer binnen.
“Goedemorgen,” groet een wachtende patiënt mij vriendelijk.
Grapjas
, denk ik, helemaal geen goedemorgen, maar natuurlijk groet ik toch vriendelijk terug en ga naast hem zitten. Hij kan er ook niets aan doen dat ik straks een zenuwbehandeling (ook wel wortelkanaalbehandeling genoemd) moet ondergaan.
De assistente had mij al zonder blikken en blozen verteld dat ik VEERTIG minuten moest uittrekken voor de behandeling, exclusief de napijn.  Die kon wel twee tot vier dagen duren. Leuk, maar niet heus.
Om mijzelf een beetje afleiding te bezorgen, pak ik tijdens het wachten een tijdschrift. Maar de artikelen kunnen mij niet boeien; ik ben te nerveus. De iieeeeeeehhs van de boor in de kamer verderop werken op mijn zenuwen – toch moet ik even grijnzen wanneer de woordspeling in dit verband tot mij doordringt. Na tien minuten is de man naast mij is al aan de beurt geweest en ik zie hem weer vertrekken. Bofkont, denk ik jaloers. Hij is er vanaf.
Manmoedig slik ik al mijn angsten in en volg de assistente gedwee naar DE stoel.
Eerst krijg ik de verdovingsspuiten; zonder dat spul schijn je niet stil genoeg te liggen voor het echte werk.
Tien minuten later is het dan zover.
Terwijl ik braaf met mijn mond wijd open lig, wordt er geboord, gevijld, gepolijst, cement gestort en weet ik veel wat nog meer.
De meeste enge haken en naalden zie ik mijn mond in en uit verdwijnen.
Onbewust wacht ik op het moment waarop het zeer gaat doen, maar gelukkig komt dat (nog) niet.
Ik begin me een beetje te ontspannen en probeer te ontdekken wat de schildering op de plafondtegels moet voorstellen. Na een paar minuten geef ik het op en richt ik mijn blik op de tandarts.
Ik heb per slot ruimschoots de tijd om hem eens goed te bekijken – beter dan mijn eigen man zelfs, want die hangt doorgaans geen half uur zo dicht boven mijn gezicht – en ik vraag mij af wat zo’n leuke jonge vent eigenlijk in zijn beroep ziet.
Al die monden, al die mensen die liever niet komen, wat maakt dit werk zo leuk?
Ik kan het hem niet vragen, want mijn mond zit vol watjes. Bah.
Ik had net ook al een keer geprobeerd te vragen of de assistente wat water wilde wegzuigen, maar dat hoorde ze niet.
Nee, ze hoorde het wel, maar verstond het niet. Zo was het.
Nu klonk het ook als abracadabra met al die dingen in mijn mond en tegen de tijd dat ik weer kon praten, hoefde het al niet meer.
Net wanneer ik gigantische kramp in mijn kaken krijg, is de klus geklaard.
Opgelucht verlaat ik de stoel.  Dit heb ik gehad.
Ik weet dat ik nog over een paar weken nog zo’n behandeling moet, maar daar denk ik maar even niet aan.

Eén troost: als ik letterlijk steeds minder zenuwen krijg… gieren er bij ieder tandartsbezoek steeds minder door mijn keel.

Gepubliceerd op 8 juli 2011