Eenzame sokken

“Voel jij je ook zo eenzaam?” mompelde de ene kletsnatte sok aan de waslijn tegen een andere kletsnatte sok. “Ja,” antwoordde de ander mistroostig. “Ik voel me ook heel eenzaam.’

Beide sokken slaakten een diepe zucht en lieten hun voetje hangen.

“Ik begrijp er niets van,”  hernam de eerste sok het woord. “Maandenlang vormde ik samen met mijn andere helft zo’n goed paar: overal gingen we samen naar toe en als we niet werden gebruikt, lagen we heerlijk schoon gewassen en ineengerold in de sokkenlade. Een mooier leven konden wij ons als sok niet bedenken. En nu? Opeens ben ik alleen. Van de ene op de andere dag is mijn andere helft verdwenen. Gewoon weg en niemand weet waarheen. Gisteren zijn we nog samen weggeweest en heel de nacht hebben wij ons liggen verheugen op de wasbeurt van vanmorgen. Maar nu hang ik hier alleen en niemand weet waar mijn andere helft gebleven is.” Dapper probeerde de sok alle tranen weg te slikken, maar ach nat was hij toch al, dus liet hij ze uiteindelijk maar lopen langzaam drupten ze op de vloer. Drup, drup.

“Ik weet het ook niet,” sprak de andere sok met een bibberend stemmetje. “Ik ben sinds eergisteren ook helemaal alleen. En nu ben ik zo bang dat mijn andere helft in het afvoerputje is verdwenen! Wij hadden wel eens verhalen gehoord van onze collega’s dat er wel eens meer sokken in die put verdwijnen en nu ben ik zo ba-ang!”

“In het putje?” riep de ene sok geschrokken uit. “Dat kan toch nooit?”

“Nee, dat dacht ik ook,” snikte de andere sok. “Maar waar is hij anders?”

Helaas, daar wist de ook de ene sok ook geen antwoord op, hoe graag hij ook zou willen. Treurig voor zich uitkijkend deden de sokken er verder het zwijgen toe en wachtten lijdzaam tot ze droog waren.

“Weten jullie wat er nu met ons gebeurt?” vroegen de twee eenzame sokken de volgende dag aan hun collega’s in de sokkenlade.

Helaas, niemand wist het precies. Tot de ene sok een heel zacht stemmetje in een donker hoekje van de sokkenla hoorde fluisteren. “Wat zeg je?” vroeg de ene sok. “En wie ben je?”

“Ik ben al een heel oud sokje,” fluisterde het stemmetje en voorzichtig schoof het sokje iets naar voren. “Ik ben al heel oud en al heel lang alleen. Wat er met jullie is gebeurd, gebeurt wel vaker. Soms heel lang niet en soms zo maar een paar keer achter elkaar. En niemand, niemand weet waar de andere sokken blijven. In het begin wordt je teruggelegd in de la. Want wie weet, vinden ze je andere helft nog wel een keer. Onder het bed of zo. Of in een sporttas. Of in een dekbedhoes. Maar als die andere sok echt niet meer gevonden wordt, dan…. dan gooien ze je weg. En daarom lig ik een beetje verstopt en houd ik me heel stil. Want al ben ik oud en heel alleen, ik wil niet worden weggegooid.”

Verbijsterd zwegen alle sokken na dit trieste verhaal. Degenen die nog samen waren, rolden zich nog steviger in elkaar dan anders, terwijl de twee eenzame sokken al hun kleur verloren. Het enige wat zij nog konden doen, was hopen.

Hopen dat hun andere helft ooit gevonden werd en ze weer vrolijk samen konden gaan stappen.

Gepubliceerd op 18 april 2011