Familie Mier

Wat krijg je als je kinderen een bord cornflakes eten en daarna het bord met suikerresten en al op het aanrecht laten staan? Mieren.

En wat krijg je als ze vervolgens ook nog een lege frisdrankfles zonder dop op het aanrecht zetten? Veel mieren.

Tel bij die lege frisdrankfles ook nog een lege koekjestrommel zonder deksel maar met kruimels op en het resultaat is, je raadt het al, heel veel mieren.

Waar ze precies vandaan komen, ben ik nog niet achter. Feit is echter dat ik zojuist bij thuiskomst verwelkomd werd door een gigantische mierencolonne, die, aangevoerd door hun leider, een flinke opmars maakte door mijn keuken.

Ze marcheerden vanuit hun nest op een onbekende plek richting achterdeur, lieten zich niet tegenhouden door een dubbel slot en twee dievenklauwen, klommen eenmaal binnen via een hele steile route omhoog (hoe doen ze zoiets?), bogen met een scherpe bocht naar links, balanceerden met ware doodsverachting langs het randje van de gootsteen en bereikten uiteindelijk hun doel: de achtergelaten sporen van tieners met honger en dorst.

Al kijkend naar die colonne – en ondertussen grote moordaanslagen op hen beramend – bekruipt mij, gelukkig niet letterlijk, een soort gevoel van bewondering en tegelijk ook medelijden. Bewondering voor hun teamwork, hun harde werken en doorzettingsvermogen. Niets kan hen afleiden van hun doel. Tot twee keer toe wordt hun prestatie zelfs in de Bijbel vermeld. “Ga tot de mier, gij luiaard. Zie haar wegen en wordt wijs.” Ook noemt de Bijbel de mieren “bovenmate wijs, omdat ze een volk zijn zonder kracht en toch hun spijs bereiden in de zomer.” We zouden dus een voorbeeld aan die mieren kunnen nemen in luie tijden – en wie kent die niet?

Medelijden bekruipt me dus echter ook. Want wat de mieren niet weten, maar ik wel, is dat er in de kast twee doosjes mierengif op voorraad staan. Ze openen en in hun looproute zetten, is een kwestie van enkele seconden. Toch doe ik het nog even niet. Ik probeer het nog heel even uit te stellen, want eerlijk gezegd vind ik zo’n mierenlokdoosje heel wreed.

Ik stel me zo voor dat vader en moeder Mier enorm blij zijn met de vondst van zo’n doosje lekker eten. Enthousiast slepen zij korrels mee naar hun huis. Dat die korrels groter zijn dan zijzelf en ze bijna onder het gewicht bezwijken, doet niets af aan hun voornemen de buit mee te nemen naar hun kinderen. Na enkele minuten komen ze aan. “Kijk eens kinderen,” roept moeder Mier opgetogen. “Vandaag eten we iets heel ergs lekkers.” Alle kinderen van familie Mier schuiven enthousiast aan tafel en wrijven al likkebaardend met hun handjes over hun maag en roepen: “MMMM.|”. Even later wordt het echter heel stil in het huisje van familie Mier.

Niet omdat ze als muizende katjes zitten te smullen. Dat was maar van korte duur. Nee, ziek van de krampen hangen ze nu tegen elkaar aan, zakken door hun pootjes en laten uiteindelijk hun kopjes hangen. Na korte tijd zijn ze allemaal dood.

Morsdood.

En ik? Ik ben de moordenaar. Tenminste: als ik het doosje neerzet. Wist ik maar een andere manier om die mieren uit huis te houden. Nooit meer zoetigheid in huis halen roept vast veel protesten op en mijn kinderen aanleren consequent alles in luchtdichte trommels op te ruimen of af te wassen, werkt in de praktijk ook niet helemaal. Dus hoe wreed het ook is: met kokend water verwijder ik alle mieren op het aanrecht – ook zielig, maar wel een hele snelle dood – en zet bij hun ingang onder de keukendeur toch ook nog een lokdoosje neer.

Binnen de kortste keren zie ik de mieren het gif eruit slepen en verdwijnen ze met hun buit richting nest. Op naar een gewisse dood.

Sorry familie Mier. Het enige dat ik jullie nu nog aan kan raden, is een routewijziging en een hele grote bocht om ons huis heen.

Gepubliceerd op 2 april 2011