Een droom

Jaren geleden kwam ik ergens een hooguit vijfregelig verhaaltje tegen over een droom waarin een engel achter een winkeltoonbank staat en de dromer een bestelling doet, maar iets anders krijgt dan hij had gevraagd. Dat verhaaltje heb ik uitgebreid, een ander slot gegeven en vertaald naar anno nu.

In een droom loop ik een winkel binnen. Het ruikt er heerlijk, al kan ik de geuren niet thuisbrengen. Als ik het zou moeten omschrijven, noem ik het een mengeling van zoete, sappige zomervruchten en bloesem van fruitbomen en bloemen, maar dan zonder dat het zwaar of bedwelmend wordt.  De glans van de prachtige brede toonbank wordt verdiept door het zonlicht dat gefilterd naar binnen valt en vanuit het vertrek achter de toonbank drijft een zacht briesje de winkel in.

Terwijl ik om mij heen kijk en de kleuren indrink van de onvoorstelbaar mooie edelstenen die in open vitrines liggen te schitteren, hoor ik ineens een zacht geruis en verschijnt er een man achter de toonbank. Hij is langer dan welke man ook die ik heb gezien en zijn witte overhemd en broek zijn ongekend helder en smetteloos. ‘Kan ik je helpen?’ vraagt hij met een krachtige maar zeer vriendelijke stem.         

Zwijgend staar ik hem aan en probeer te bedenken wat me ook alweer naar deze winkel heeft gebracht. ‘Wat verkoopt u hier?’ vraag ik uiteindelijk, in de hoop dat zijn antwoord me op weg zal helpen.

Zijn glimlach wordt dieper en raakt iets in mij dat lang niet is aangeraakt. ‘Zeg maar wat je nodig hebt.’

Verward door dit antwoord loop ik iets dichter naar de toonbank toe. ‘Wat ik nodig heb, is niet te koop. En…’ voeg ik er ineens wat moedeloos aan toe, ‘als dat al zo was, dan heb ik er toch het geld niet voor.’

Zonder dat zijn glimlach wijkt, kijkt de man me ernstig aan. ‘Wie heeft het over kopen? En over geld?’

In de stilte die in de winkel valt, hoor ik hoe een carillon in de verte haar tonen rondstrooit; de aankondiging dat straks de klok het hele uur zal slaan. Hoe laat is het eigenlijk? Elf uur, twaalf uur

‘Wat zou je graag willen?’ vraagt de man.

Ik haak mijn ogen in de zijne, schraap mijn keel en steek van wal. ‘Vrede. In de wereld..  mijn land… mijn plaats… mijn huis…  mijn hart.’ Eenmaal op gang gekomen, ben ik niet meer te stoppen. ‘Een journaal zonder berichten over gruwelijk geweld, vervolgingen, Jodenhaat, neergeschoten vliegtuigen, misbruik binnen en buiten de kerken. Een wereld vol rechtvaardigheid voor iedereen die onrechtvaardig wordt behandeld. Vrijheid. Respect. Gezondheid. Liefde. Vreugde. Geduld. Vriendelijkheid. Goedheid. Zachtmoedigheid. Zelfbeheersing. En vooral… vooral geloof.’

Naarmate mijn rijtje met wensen langer werd, was ik zachter gaan praten. Na de laatste bijna gefluisterde woorden sla ik mijn ogen neer en verwacht ik dat hij me vriendelijk maar beslist zal vertellen dat al deze dingen niet meer op voorraad zijn, en ik met lege handen naar huis terug moet keren.

Hij zegt echter niets, maar uit het geruis dat ik hoor, leid ik af dat hij zich omdraait en ergens een lade opentrekt.

‘Kijk,’ klinkt dan zijn stem opnieuw.

Ik sla mijn ogen op en zie een uitgestrekte hand, met in de palm een glanzend, doorschijnend goudkleurig buideltje. Ik kan niet goed zien wat erin zit, maar het lijken wel zaden.

‘Al die dingen die jij noemde, zijn vruchten,’ legt hij uit zonder dat ik het hem hoef te vragen. ‘Die kan ik je niet geven.’ Hij pakt mijn hand, legt het buideltje erin en vouwt mijn vingers erom heen. ‘Maar hier heb je de zaden. Ze zijn al betaald.’

Mijn blik hecht zich aan het buideltje en het is of er ergens in mij een kraan wordt opengedraaid en de hoop door mijn lichaam stroomt.

Ineens vol haast vanuit het verlangen om direct in mijn tuintje aan het werk te gaan, bedank ik de man vanuit de grond van mijn hart en loop snel naar de deur. Vlak voor ik naar buiten ga, schiet me iets te binnen en ik draai me nog even naar hem om. ‘Eh… hebt u ook een zakje voor mijn buren? En misschien ook nog eentje, of twee, voor…?’

Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, deze zaden kunnen alleen persoonlijk worden afgehaald.’       

Vragend kijk ik hem aan. ‘Maar… maar hoe krijg ik hen zo ver dat ze die willen halen?’

Nog eenmaal kruipt de glimlach om zijn mond. ‘Door hen straks te laten proeven van de vruchten die uit je eigen zaden zijn gegroeid.

Marianne Grandia

NB. Deze blog is eerder verschenen op www.puurvandaag.nl